Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vraag naar de afhankelijkheid der wereld van God luidt niet: hoe is deze wereld, zooals zij zich nu vertoont, in een gevorderd stadium van ontwikkeling, geworden? Die vraag luidt: hoe is de wereld, in zoover ze een be* trekkelijk en wisselvallig bestaan heeft, ontstaan? Op deze vraag kan niet geantwoord worden met als grond aan te geven een oerstof of welk buitengoddelijk zijn ook, uit de omvorming waarvan de kosmos te voorschijn kwam. Wanneer aldus wordt teruggegrepen naar een 'buitengoddelijk en daarom niet volstrekt noodzakelijk zijn, wordt een poging gedaan het zijn van het wissel* vallige te verklaren uit een wisselvallig iets — de oerstof, de vormbare substantie —, terwijl het alleen eindver, klaring vindt in een volstrekt noodzakelijk iets. Er is maar één antwoord op de vraag, hoe het wisselvallige is ontstaan, n.m. dit: door de werkzaamheid van God, Die het tot bestaan brengt niet door omvorming van iets, maar door voortbrenging uit niets. Juist omdat God is de absoluut zijnde, de eerste grond van alles wat niet volstrekt noodzakelijk, niet*God is, behoeft Gods oor* zakelijkheid geen ding te veronderstellen, wat Hij kneedt en vormt tot een ander iets. God, als eerste oorzaak, maakt niet een gegeven iets tot iets anders, Hij geeft eenvoudig weg het zijn. God gelijkt niet op den bouwer, die bouwstoffen vindt, welke hij tot een gebouw verwerkt; niets vindend maakt Hij. Daarom is God de Schepper der wereld, niet omvormer, maar zon* der meer zijngever waar geen buiten*goddelijk zijn was.

Wij wachten ons er voor de oorzakelijkheid van God te beperken tot het verleden, alsof God, na de wereld tot aanzijn te hebben gebracht, zich terugtrekt in de grondelooze diepten van het goddelijke wezen en de

Sluiten