Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan den plicht om zijn volstrekte afhankelijkheid van God te erkennen, voldoet de godsdienstige op velerlei wijze. Hij vereert de oneindige heerlijkheid van God, Hem lovend om Zijn transcendente hoogheid, of hij keert zijn geest en zijn hart in smeekende houding naar het Hoogste Goed, Gever van alle goed. Door het offer belijdt de mensch, dat alles wat hij heeft toekomt aan den goddelijken Heer en hij niets zijn absoluut eigendom mag rekenen. Ofschoon de godsdienstige ge* steltenis innerlijk is — een zielsneiging —, zal de gods* dienstige mensch, essentieel bestaande uit ziel en lichaam, zijn lichaam doen deelnemen aan zijn gods* dienstig leven. Het is tegennatuurlijk van den mensch, die een redelijk dier en niet een engel is, te eischen, dat hij alleen zijn geest zal neerbuigen voor God, zonder met de houding en het gebaar van zijn lichaam de inner* lijke onderwerping te begeleiden. Zoowel geestelijk als stoffelijk moeten wij onze afhankelijkheid van God erkennen, opdat wij voor den oppersten Heer en Gever van alles wat wij bezitten verschijnen in onzen waren aard, in de livrei der goddelijke dienstbaarheid.

De godsdienstoefening mag met beperkt worden tot een speciaal soort handelingen die in geijkten zin tot het godsdienstig leven behooren. Vooral als de innerlijke gesteltenis, de religieuse zielsdrang te kort schiet, ver* toont de godsdienstige dikwijls een caricatuur van gods* dienstig leven. Hij zondert zijn religieuse gedraging af van de rest van zijn doen en laten, zoodat hij een twee* slachtig leven leidt. Aan den éénen kant een sfeer van godsdienstigheid, aan den anderen een gedrag, waarin moeilijk een spoor van Gods volmaaktheid valt te ont* dekken. Zoodanige godsdienst is voor velen aanleiding

Sluiten