Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn genade, want hij beleeft ons met zijn kracht, gelijk de wijnstok zijn levenssap en groeikracht meedeelt aan de ranken: „Ik ben de wijnstok — zegt Christus — en gij zijt de ranken". Wij zijn ranken op Christus, of gelijk Paulus het een weinig anders uitdrukt, wilde twij* gen, geënt op den vruchtbaren olijf stam, die Christus is. Echter we zijn ranken met een vrijen wil die het ver* mogen om vrucht te dragen, dat Christus ons geeft, kunnen benutten, maar ook ongebruikt kunnen laten. Welnu, wat zegt Christus? „Elke rank aan mij, die geen vrucht draagt, (mijn Vader) zal hem afsnoeien en.;.. hij zal verdrogen en in het vuur geworpen worden' ). Blijkt hieruit niet duidelijk, dat vrucht dragen, d.i. goede werken doen door de kracht of genade van Christus, ter zaligheid noodig is. De Heer zelf zegt: anders worden we afgesneden en drogen uit en worden in het vuur geworpen.

En als we nu de kracht, die Christus ons instort wel gebruiken en goede werken doen, dan zegt de Heer wederom zelf, dat die werken een loon verdienen, m. a. w. dat zij verdienstelijk zijn: „Verheugt u en juicht

zegt hij — want uw loon zal overvloedig zijn in den

hemel" *). Ja, hij zegt, dat iedere goede daad, door zijne genade verricht, tot de kleinste, een loon verdient: „Die een glas koud water te drinken zal geven aan een van de minsten, voorwaar ik zeg u, hij zal zijn loon niet missen" *).

Moet ik nu nog opzettelijk zeggen, waarom onze ver* diensten geen afbreuk doen aan Christus' verdiensten, maar die juist meer verheffen en heerlijker doen uit*

*) Lees Jo. 15.1—8; Rom. 11:24. ») ML 5:12. •) Mt. 10:42.

Sluiten