Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het bizonder, wat tot de goede orde der Kerken dienstig was, en de eerste christenen voelden zich onder hun bestuursgezag als een eenheid, onderscheiden van Joden en heidenen, belijdend eenzelfde geloof, verbon* den door eenzelfde liefde, beoefenend eenzelfden eere* dienst.

En deze eenheid moest de hoogste kracht en den heerlijksten luister verwerven door het oppergezag, het* welk door Christus onmiddellijk en terstond aan den H. Petrus over de geheele Kerk Gods werd beloofd en gegeven.

Toen Jezus den armen visscher uit Galilea voor het eerst bij den Jordaan ontmoette, sprak Hij: „Gij zijt Simon, de zoon van Jona, gij zult Cephas heeten" 1). De Evangelist voegt erbij: „dat beteekent: Petrus". Het woord cepha beteekent in het Arameesch, welke taal Christus sprak, steenrots. Wijl nu de namen door God gegeven, geen ijdele woordenklank, maar vol beteekenis zijn, zoo ligt in de belofte van dezen nieuwen naam tevens de belofte van een nieuwe waardigheid.

Bij Cesarea Philippi werd die belofte aan Petrus her* haald als antwoord op zijn belijdenis der godheid van Christus: „En lk, Ik zeg u: gij zijt Petrus (steenrots); en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En u zal Ik de sleutels geven van het rijk der hemelen. En al wat ge op aarde zult binden zal ook in den hemel ge* bonden zijn; en al wat ge op aarde zult ontbinden, zal ook in den hemel ontbonden zijn" 2). Om den juisten zin en de bewijskracht dezer woorden goed te begrijpen, dienen we erop te letten, dat tot Petrus alleen deze

>) Jo. 1:42. 2) Matth. 16:18—19.

Sluiten