Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeren waarborgen de onvergankelijkheid en onbe* derfelijkheid zijner Kerk. Maar dan moet in die Kerk ook alles blijven, wat voor haar bestaan als Kerk van Christus noodzakelijk is, met name de drievoudige macht aan de apostelen en het oppergezag aan Petrus verleend.

Reeds in het boek der Handelingen en de apostolische Brieven vinden we vermeld, dat de apostelen over de Kerken, die zij stichtten, niet slechts zelf gezag hebben uitgeoefend, maar dit ook in verschillende mate aan andere personen hebben overgedragen. Aanvankelijk schijnt de organisatie der Kerken deze geweest te zijn: overal waar een christengemeente kon opgericht wor* den, stelden de apostelen eenige diakens en priesters*) aan. Deze priesters, ook wel oudsten en opzieners ge* naamd2), verzorgden en bestuurden gezamenlijk de hun toevertrouwde geloovigen, zoo ongeveer als tegenwoor* dig de pastoors hun parochies, maar met dit onder* scheid, dat het beheer niet door één persoon, maar door de geheele groep priesters gemeenschappelijk gevoerd werd. Daarbij bleef het gewoonlijk; want de meer alge* meene leiding, het hoogere bestuur, behielden de aposte* len aan zich zeiven, en zij oefenden dit uit door per* soonlijke bezoeken, door brieven, door afgezanten, die in hun naam optraden. Deze afgezanten bezaten in den

*) Het is bekend, dat tot de eerste vestiging en den opbouw der Kerk, behalve de gewone geestelijke bedienaren, tal van personen hebben meegewerkt, die door God met wonderbare genadengaven waren toegerust: profeten, evangelisten, leeraars.

*) Het ligt voor de hand, dat in den beginne de verschillende be* dieningen in de Kerk nog geen vaststaande benamingen hadden, zoo» dat het geenszins verwondering behoeft te wekken, als hetzelfde ambt nu eens met dezen, dan met genen naam wordt aangeduid.

Sluiten