Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehangen, dat wordt door niemand ontkend: de histo* rische gegevens spreken daarvoor te duidelijk, dan dat hierover zelfs eenige twijfel zou kunnen bestaan. Zoowel de Handelingen der Apostelen als christelijke en heiden* sche schrijvers (Tacitus en Plinius) zijn hierin eenstem* mig. A. v. Harnack besluit zijn boek over „Die Mission und Ausbreitung des Christentums" met deze woorden: „Is de uitbreiding van den christelijken godsdienst ver* rassend snel tot stand gekomen? Ik mag zeggen van jal De indruk, dien de Kerkvaders in de 4e eeuw daar* van hadden, is juist." P. Allard zegt in zijn „Hist. d. Persécut. pendant la première moitié du 3 siècle1): „In de grafkelders ten tijde van Callistus (218—222) zijn de voornaamste families van Rome aanwezig. Men vindt er de marmeren grafzerken van de Caecilii, de Cornelii, de Aemilii, de Bassi, de Annii, de Jallii, de Pomponü; ja men ontmoet er graven van hen, die aan de keizerlijke families verwant waren. Zooals men in de eerste eeuw de christelijke Flavii kende, zoo had men in de tweede en in het begin der derde eeuw de christehjke Antonii."

Vanwaar dit resultaat? De menschelijke geest, zoo zegt men, was toen rijp voor de christelijke ideeën, de leer was niet zoo nieuw als men dit gewoonlijk doet voorkomen, de eenheid van het romeinsche rijk was zeer gunstig voor de prediking. — „Wonderbaar" is de uit* breiding alléén voor hem, die de teekenen des tijds niet weet te verstaan!

Inderdaad, het Christendom verscheen eerst op deze wereld, toen „de volheid der tijden"*) was aangebroken; God zond Zijn Zoon „op den geschikten tijd"'), toen

>) 1894. p. 191. *) Gal. 4:4. Eph. 1:10.

Sluiten