Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tus werkelijk heeft geleerd maar wat het eigen inzicht voorstelt"1, reikt dezelfde overtuiging tot de vroegste eeuwen van het Christendom, waar ze aldra haar kern* achtige uitdrukking vindt bij Augustinus: „De ware

godsdienst kan zonder krachtig gezag geenszins

goed worden beleden." 2)

Zonder schade wordt dit bovenmenschelijke maar toch „betrekkelijk natuurlijke" hulpmiddel in de hand* having der geopenbaarde leer dan ook niet versmaad. Met een klaarheid, welke evenzeer de eischen der waar* heid dient als droevig is in zich zelf, wordt de wellicht zoo goed bedoelde bewering van vele niet*kathoheken, als zou het woord van Christus „Eén is uw leermeester" slechts een innerlijke, rechtstreeksche en uitsluitende leering van Christus dulden, door de aan alle tijden der latere historie klevende dwalingen tegengesproken. Of zien wij in de laatste eeuwen, waarin deze recht* streeksche onderrichting, als eenige factor van bevoegde leering, steeds weer werd verkondigd, niet juist de vrij* rationalistische opvatting zich een ruim veld veroveren, waarin de godsdienst der vrije meening, der pluriforme waarheid, der rampzalige verdeeldheid, der wankelende dogma's zoo weelderig bloeit? Zijn wij door dat leiding* looze onderzoeken der Schriften niet geraakt in een toestand, waarin toch wel eenigszins wanhopige pogingen gedaan worden om, bij een blijkbaar onherstelbaar verlies van eenheid in leer en belijdenis, nog een schijn van een* heid in het Christendom, als daad en als praxis te red* den? Dreven die pogingen niet heele congressen bijeen, waarop de zoo goed meenende congresgangers de "han* den uistrekten naar zulke basis*looze eenheid? Want

') S. Th. II, II, 11, 1. 2) De utilitate credendi. Cap. IV.

Sluiten