Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus is, begint onverwacht een herleving, waardoor zij de betoverende indruk maakt van een eeuwige jeugd. De mensen in de Kerk verouderen met al wat menselik is aan de Kerk; haar goddelike leer, haar goddelike genade en haar goddelik gezag blijven nieuw als de schoonheid van de schepping. Zo dikwels ook een her* vorming in haar zeden moest bewerkt worden, hoefde de grondvorm van haar geloof hoegenaamd geen ver* andering te ondergaan.

Zelf kennen wij Katholieken allerlei gebreken binnen het Katholicisme al te wel, beter nog dan de vijanden, die genoeg stenen tegen de Kerk gegooid hebben om er langzamerhand een berg vooroordelen mee te vormen. Maar we zouden geen ingewijden verdienen te heten, als we het scherpe verschil tussen goddelike liefde en men* selike zonde zó slecht kenden, dat we ons op die opeen* stapeling van ellende zouden blinstaren. Inplaats van ons te ergeren aan de Kerk, die zoveel schandalen kan lijden, ergeren we ons beter aan onszelf. Juist het drijven van de Ark op de zondvloed, haar evenwicht onder dui* zend eenzijdigheden, haar veilige koers, die een sein is voor alle verdwaalden, bevestigt ons geloof. Elke schuld* bekentenis van een geredde klinkt in een danklied voor haar bescherming uit. Hoe meer kwaad de Katholieken begaan, hoe meer ze immers bewijzen, dat de Kerk niet afhankelik is van haar leden. Kan geen enkel bederf ooit haar natuur aantasten, dan moet ze boven de wetten van besmetting en vernietiging staan. Dus dient er een bovennatuurlik levensbeginsel in haar over te blijven, waarmee haar diepste wezen geheimzinnig is samen* gegroeid. Verwijten van buiten, nog overstemd door klachten van binnen, mogen de ene broeder na de

Sluiten