Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Duitsche dorpen. De menschen werden 's nachts uit hun bedden gesleurd. Zij werden met riemen tot bloedens toe geslagen. Zij werden in de scherpste winterkoude naakt in schuren opgesloten, zoodat menigeen 's morgens bevroren gevonden werd. De vloeren werden opengebroken; de tuinen en de akkers omgewoeld, om geheime bergplaatsen van graan te vinden. Hoe zou men echter iets

verbergen, waar er niets was gegroeid?

Toen was de hongersnood een feit! De winter was lang en er was niets meer te eten. De kinderen begonnen op te zwellen en stierven. Zonder klacht gingen zij heen. Met groote vragende oogen keken zij de volwassenen aan. Als een stomme aanklacht was deze blik. „Is er dan werkelijk in de heele wijde wereld geen brood om ons, arme kleinen, in bet leven te houden?", scheen deze blik te vragen.

„Moeder, ach Moeder, ik heb toch zoo'n honger! Geef mij brood, anders sterf ik

„Wacht maar, ach, wacht maar, mijn liefste kind, morgen is er zeker brood

En toen eindelijk de moeder aan 't bakken was, lag het dochtertje op de doodenbaar.

Zoo ging het destijds in de Duitsche kolonies van mond tot mond, het lied van het verhongerde kind, dat harde werkelijkheid geworden was.

Maar ook de volwassenen verhongerden. Zij trokken van dorp tot dorp om brood te zoeken, en nadat al hun zoeken vergeefsch bleek, stortten zij langs de wegen dood neer. Honderden, ja, duizenden, kon men er zien liggen; er waren geen handen geweest om de lijken te begraven

De overlevenden werden door een wilden schrik gegrepen: „Weg, weg uit dit land, dat zijn kinderen verslindtl In de steden, waarheen zij ons brood gevoerd hebben zal het beter zijn. Maar liever nog verder steeds verder over de grens van dien staat, die een voorportaal van de hel geworden UT

Zoo laadden zij op, wat zij maar konden medenemen, en trokken weg, de wijde wereld bi, een onzekere toekomst tegemoet.

Wü trekken, wij trekken! —

Waar trekt gij dan heen? —

Naar 't Zuiden, naar 't Noorden,

Wie weet het, waarheen!

Ons vee, onze goed'ren,

Verkocht en verpand! —

De eenige have,

Waar 't harte aan hangt,

In sjacherende handen?

Ja; voort nu, komaan!

De hoofdzaak is toch, dat

Uit d' ellende wij gaanl

Gij vliedt de ellende? O, ijdele waan!

Sluiten