Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenstaande hun zwakte en het gebrek aan trekdieren; niettegenstaande den honger, die het zoo verleidelijk maakte het graan voor voeding te behouden, ging men aan den voorjaarsarbeid.

Alles was veranderd. Het meeste van hetgeen het voorgeslacht tot stand had gebracht was verwoest en vernietigd. Slechts één ding was onveranderd gebleven: de taaie wilskracht van de Duitsche kolonisten.

En het zaaikoren, dat aan de noodlijdende gebieden was geleverd, werd uitgezaaid. Wel zelden hebben Duitschers onder zulke moeilijke omstandigheden den akker bewerkt.

Slechts weinige der Duitsche boeren hadden nog een paard. Wat uit den oorlog en den burgeroorlog was overgebleven, was aan den honger ten offer gevallen. Vele der hongerlijdende gezinnen hadden slechts met het vleesch van hun paard het leven gerekt.

Wie nog een koe had, spande deze voor den ploeg en de eg. De buren leenden elkander hun dieren. Ja, men ging zelf voor den ploeg loopen om de voren voor het kostbare zaad te trekken. Alle hoop op redding van den ondergang hing immers ervan af, dat het zaad tijdig in den grond zou komen.

Ook op de boerderij van Heininger ging het dadelijk druk toe, toen de eerste warme dagen kwamen, waarop de zon de aarde, die in het Zuiden, waar zoo weinig sneeuw valt, bevroren was, begon te ontdooien. De landbouwgereedschappen werden nagezien, de ploegen geslepen, in de eggen nieuwe pennen gezet. Zelfs de oude grootvader Fürchtegott knutselde aan de gereedschappen. Sedert zijn Johannes dood was en de kleinkinderen ver weg waren, voelde hij zich weer voor het bedrijf verantwoordelijk.

En toen kwam de dag, waarop Friedrich Festner, Barbara Heininger's man, het eenige paard, een oude merrie, voor den ploeg spande en met den arbeid kon beginnen. De beide jonge knapen echter, Helmut en Lienhard, trokken de eg om de aardkluiten klein te maken.

„Het is weer precies als honderd jaar geleden, toen onze voorvaderen in het land kwamen", zeide hij, toen het gezin aan het middagmaal zat. „Grootmoeder Barbara heeft zoo dikwijls verteld, hoe haar man de eerste voren in het steppeland trok. Een heilig feestuur was het. God heeft ons klein moeten maken, omdat wij Zijn zegen hebben aangenomen als iets, dat wij vanzelfsprekend verdiend hadden. Als God ons nog eens tot welstand laat komen in dit land, dan moet het anders gaan, of Hij zal nog eens anders spreken.

Het leek werkelijk, alsof God hen nog eens tot welstand wilde laten komen.

De omvang, dien de verwoesting had aangenomen, had zelfs de bolsjewisten verschrikt. Als het zoo verder ging zou het de ondergang van Rusland en daarmede van het communisme beteekenen.

En Lenin had genoeg oog voor de werkelijkheid om met de feiten rekening te houden. Hij had het stuur omgeworpen. Er werd weer ruimte gelaten voor het particulier initiatief. De particuliere handel

Sluiten