Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Satan troonde en waar G-od's naam bevuild en besmeurd werd.

„En aan het zelve werd een mond gegeven om groote dingen en

godslasteringen te spreken." Godslasteringen was het kenmerk

van het rijk, waarin zij woonde. Godslastering had zij zooeven nog art den mond aan haar onschuldig kind gehoord.

Heere God wat moest het worden, als het zoo verder gingl

Dan werden haar kinderen gedoemd tot den vurigen poel, waarin het dier en al zijn aanhangers die zijn merkteeken aan hun «oorhoofden droegen, zouden worden geworpen.

Een vreeselijke angst greep Barbara aan. Zij ging naar het bed en hoorde de rustige ademhaling van haar man. Hoe kon hij nu zoe rustig slapen, waar het om de zaligheid of de verdoemenis van haar kinderen gingt

Zij greep hem bij de schouders. Hij rees verschrikt op.

„Wat is er? Zijn ze daar? Komen zij mi] halen? " zeide bij

verschrikt.

„Neen, vannacht nog niet," antwoordde Barbara. „Maar zij zullen ons zeker spoedig balen, als wij blijven. Wij moeten weg! Anders zijn de kinderen voor eeuwig verloren."

„Wanneer?" vroeg Festner nog slechts half wakker. „Nu dadelijk vannacht?"

„Dat soa wel het beste zijn," antwoordde Barbara. „Otto heeft al zulke godslasterlijke dingen gezegd. Ik laat hem nooit meer naar school gaan. Maar wij moeten nog met Moeder en met Grootvader praten."

Sinds haar man wakker was, zakte Barbara's opwinding een weinig. Zij kon hem kalm vertellen van haar plan om uit Rusland weg te gaan. Hij was het in alles met haar eens, doch zag duidelijker dan zij de reusachtige moeilijkheden, die daaraan verbonden waren.

Barbara liet zich echter niet afschrikken.

„God heeft het mij in het hart gegeven. God riep ons! God zal ons helpen!" Daar bleef zij bij.

Zij werd in haar overtuiging nog gesterkt, toen de familie den volgenden morgen volmondig met haar plan instemde.

Het liefst wilden zij allen weg.

Slechts Grete, Erich Heininger's jonge weduwe, verklaarde: „Hoe moet ik weg, waar het kind over een paar weken komt! Ik kan toch niet op straat bevallen. Ik blijf bier."

Dorothea Heininger wierp een blik op haar ouden schoonvader. Hij zat daar in diep gepeins, de handen over zijn kruk gevouwen. Zijn blik dwaalde in de verte. Het was, alsof hij op een antwoord wachtte.

„Het is juist, wat mijn schoondochter gezegd heeft," zeide hij eindelijk. „Maar wee den bevruchten en zoogenden vrouwen in die dagen." Wanneer zij niet verdreven wordt, moet zij blijven. Het kan zijn, dat ook dat nog geschiedt. Het fat eerst het begin der droefenis. Barbara en Friedrich moeten gaan ter wille van hun kinderen. Ik zou wel graag meegaan. Het is ook voor oude menschen niet goed te leven, waar Satan troont. Maar ik ben oud. Ge zult mij spoedig begraven. God geve, dat ik rusten mag, waar mijn

Sluiten