Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Helaas de volle waarheid, Moeder. Het lijdt geen twijfel, dat zij ons allen, ons, bekwame Duitsche boeren, willen ombrengen. De Joden willen nu eenmaal niet, dat wij een eerlijk stuk brood eten en onzen Heer daarvoor danken. Zij willen ons allen tot slaven maken, die voor hen heerendiensten verrichten, opdat zij zich kunnen vetmesten."

„Waar moet het met ons heen! Hoe kan God dat toelaten!" jammerde Dorothea. „Men wordt daar gek van!"

„Neen, mijn dochter," sprak de oude grootvader Fürchtegott van uit zijn hoek bij de kachel, waar hij thans meestal in elkaar gedoken zat „Het zou niet goed zijn, als we ons daardoor van de wijs lieten brengen. Dan zou Satan juist zijn doel bereikt hebben. Neen, God heeft immers juist Zijn hoogste liefde getoond, toen Hij den Satan toestond, Zijn Zoon aan het kruis te nagelen. Daar werd de vijand verslagen. En als wij het kruis moeten dragen, toont God ook Zijn liefde. De Satan wordt overwonnen. Voor ons echter is de kroon reeds daarboven gereed."

Het was veel, wat in deze maanden Dorothea Heininger overkwam. In don herfst wat haar schoondochter Grete van een vaderloos kindje bevallen. Het was een meisje, dat den ouden familienaam Barbara kreeg. Grete herstelde langzaam. Op haar schoonmoeder rustte de zorg voor de jonge moeder en de kleine kinderen, waarbij ook nog de kleine Toni Festner gekomen was. Ook de oude grootvader werd steeds gebrekkiger en had verzorging en verpleging noodig.

Daarbij kwam de voortdurende zorg voor de belasting. Do duizend poed tarwe waren geleverd. Er was nauwelijks iets om van te leven overgebleven. Het brood moest met allerlei dingen vermengd worden. Het verloor aan voedingswaarde en veroorzaakte vooral den kinderen en den ouden lieden voortdurende kwalen.

Hoe zou het echter moeten gaan, als de belasting nog meer verhoogd zou worden? Men hoorde van ongeloofelijke eischen.

En als niet alles geleverd werd, wat gevorderd werd? Wat

dan? Men kende de gevolgen.

De zorgen streken als insectenzwermen over haar neer en boorden en knaagden aan het hart. Ach, zij zou bijna het verstand erbij verloren hebbenl

Zij kende het woord wel: „Werpt al Uw bekommernissen op den Heer, want Hij zal uitkomst geven." Maar was dat niet een bovenmenschelijke eisch, in zulk een toestand zich niet te bekommeren?... Het was nog een geluk, dat zij haar ouden schoonvader had. Hij droeg het met haar. Hij vond dikwijls een goed troostwoord. En vóór alles wist zij, dat hij met biddende handen achter haar stond.

Toen de tijd voor het uitzaaien kwam, ontstonden groote moeilijkheden. Erich was dood. Friedrich Festner en Barbara waren weg. Alles kwam nu op Helmut en Dorothea aan. Zoodra het dag werd, begon Helmut met het ploegen en hij werkte totdat de zon onder was. Dorothea ging echter met de eg achter den ploeg aan. Zij zakte vaak in elkaar van vermoeidheid. Maar het werk moest toch gedaan worden.

Sluiten