Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DERDE ROEP.

Wat is nu hut lot der uitgewezenen, die zoo meedoogenloos van huis en haard verjaagd zijn, beroofd van alles, wat zij door hun arbeid verworven hebben, nauwelijks met het allernoodzakelijkste aan voedsel en kleeding toegerust?

Wij weten het antwoord. Hot luidt: honger en ziekte, vorst en onvoldoende dekking; kwellingen van bloedzuigend ongedierte; kwellingen door do wreedheid van duivelsche menschen; hot sterven der ouden van dagen, het wegkwijnen, door ziekte, der kinderen; en arbeid, arbeid, arbeid, die een vloek b inplaats van een zegen, geen opgewekte arbeid, die zijn loon waard b, maar een krampachtige ontwikkeling van de laatste krachten onder de zweep van den opzichter, die op zijn beurt ook onder dwang handelt, daar hij moet ontgelden, wat er minder gewerkt b dan verlangd werd. En als loon voor allen arbeid juist zooveel voedsel, dat men In 't leven blijft, maar dat nooit toereikend is voor do kinderen en de oude lieden, die niet werken kunnen.

Wij weten, dat dit hun lot is. Maar kennen wij het? Kunnen wij ons ook maar uit do verte een voorstelling ervan maken, wat

het beteekent, in zulk een diep lijden te verzinken? Weten wij,

wat het beteekent, halverwege den nacht eruit te moeten, naar het oerwoud? Uren lang door sneeuw en ijs, in onvoldoende kleeding, naar de plaats der werkzaamheden te moeten waden? Reusachtige boomen te moeten vellen, wolk werk hun In de Zuidelijke steppen steeds vreemd geweest is? Met bevroren handen en voeten te moeten hakken en zagen, tot de duisternis valt, zonder nog de voorgeschreven hoeveelheid werk te kunnen verrichten? Thuis te moeten komen in bedompte barakken of in holen met een rookerige atmosfeer, waar de kinderen weenend van den honger hun komst verwachten en men toch met leege handen voor hen staat. Hebben wij eenig idee, wat het beteekent, dag In, dag uit zoo voort te leven, in oen omgeving van haat, wreedheid en verachting, gebroken naar lichaam en ziel — en toch van geen enkele zijde ook maar de zwakste lichtstraal te zien?

Neen, wij hebben er geen idee van Wij staan er tegenover;

zonder eenig begrip, en de oude en toch eeuwig nieuwe vraag leeft in ons hart: „Waar b God? Is God dood?"

Maar het antwoord luidt: Neen, God b niet dood. Hij heerscht heden nog bi het midden Zijner vijanden. Hij is daar, waar Hij bij het lijden van Zijn Zoon aan het kruis was, toen het scheen, alsof Hij van God verlaten was, en de zonde en de Satan de overwinning behaald hadden.

Hij is daar, en treedt nog naar voren uit de duisternis. Wie oogen daarvoor heeft, moet Zijn glans zien. Hij moet Hem ook zien in het geloof Zijner kinderen, dat niet wankelt, ook al zijn het leed en de nood nog zoo groot. Hij moet Hem hooren In den roep Zijner kinderen, die niet moede worden te roepen, ook al schijnt het alsof Hij Zijn ooren afwendt. Hij moet van God's aanwezigheid overtuigd worden, als hij het getuigenis hoort van hen, die tot zwijgen veroordeeld zijn, en wier leven en lijden en sterven toch

Sluiten