Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

helder en het beeld nog niet zuiver geweest. Er was veel menschelijk-aardsch wenschen bij, dat de verbeeldingskracht vormde. Nu was het smeltvuur gekomen; het brandde met vreeselijken gloed. Maar zij, die tot de gemeente in het oerwoud behoorden, lieten zich smelten.

„Nog eenmaal erin, In den vurigen gloed;

O, Vader wij gruwen voor den zengenden vloed.

O, Meester, Erbarmer, heb medelijên,

Niet langer verdraag Ik de smartelijke pijn.

De Goddelijke smelter, zoo heilig bedaard.

Houdt 't oog op den smeltenden en den vurigen haard;

't Gelaat onbewogen, de hand onvermoeid,

Den blik houdt hij vast aan de smeltkroes geboeid.

Hij neemt uit de smeltkroes het zilver weldra, En perst het en geeft het een vorm daarna; Een kostelijk vat — ten dienste bereid, Zoo brengt hij 't den Hemelschen Vader, verblijd.

O, Heiland, als 't zoo is, verschoon mij dan niet, Al zij 't, dat in 't lijden de moed mij ontvliedt; Dan, Goddelijke Smelter, is 't leed mij gewin, Leidt Gij mij gelouterd het Vaderhuis In." x)

Zoo heeft één van hen in het oerwoud gezongen en zoo bogen zij voor het vuur. En aan dit vuur ontsproot steeds zuiverder, steeds duidelijker de hoop: „H ij komt! H ij overwint!" — De vijanden mogen woeden en tieren, Hem Is toch het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid!

Het was merkwaardig, hoe zij, die tot de verborgen gemeente behoorden, elkaar vonden. Zij herkenden elkander aan den blik hunner oogen, den druk van hun hand, aan het eerste woord, dat over hun lippen kwam. Het was, alsof de menschen In twee groepen verdeeld waren. Eenerzijds zij In wier voorkomen en gebaren iets van het kenteeken van het beest tot uitdrukking kwam. Anderzijds degenen, op wier voorhoofd het zegel van den levenden God begon te glanzen, zichtbaar voor allen, wier oogen daarvoor geopend waren.

Ook met zijn bloedverwanten in het oerwoud had Lienhard zich in verbinding kunnen stellen. Zij waren ver van elkaar, door duizenden Kilometers afstand gescheiden. Maar hij kon hun schrijven, en zijn brieven gaven hun kracht en troost.

En troost, veel troost, hadden zij noodig. De oude grootvader was spoedig na aankomst in de ballingschap overleden.

„Zorgt, dat het lijden vrucht draagt, opdat God's derde roep niet vergeefs zijl" — Dit waren zijn laatste woorden geweest.

x) Vrij naar G. Fast: „In de schaduw van den dood". Uïtg. „Licht In hot Oosten", Wernigerode.

Sluiten