Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willen, dat een mijner onzichtbare hoorders door m ij n schuld onder het luisteren in slaap viel of, gramstorig, het contact verbrak.

Dat in het voorbijgaan. En nu ter zake. De vraag, die aan een ander is gesteld, doch ter mijner intentie, laat zich aldus formuleeren: „Staat men in Rusland bloot aan felle vervolging, zonder eenige politieke aanleiding, alleen om het feit, dat men geloovig is?" *)

Natuurlijk luidt het antwoord van den bekenden schrijver der Russische reisschetsen, op die meer dan simpele vraag, ontkennend. Gelijk hij ook „nogal rhetorisch" noemt de stellige bewering van mijn vriend Dr. O. Schabert, „dat het er voor de geloovigen in j. Rusland, heden ten dage, meer op aankomt manmoedig en trouw voor hun beginsel te sterven, dan voor hun overtuiging te leven".

Maar die ontkenning en die qualificatie verhezen onmiddellijk al haar kracht door de volgende regelen: „Al legt de Russische wet de godsdienstvrijheid, d.w.z. de vrijheid van eeredienst, ook vast, zoo stelt zij tevens een reeks beperkingen, waarvan de strekking, de opzettelijke strekking is, om niet slechts de Kerk, doch ook den godsdienst zelf aan te tasten. De Bolsjewisten beschouwen den godsdienst in werkelijkheid als een sta-in-den-weg voor het welslagen van de revolutie. Zij zijn er daarom op uit, den godsdienst zelf te ondermijnen. Als diplomatieke tactici laten zij de oüde generatie in haar godsdienstige gewoonten onaangetast, doch zij zetten een heele reeks belemmeringen op den weg tusschen de godsdienstige leiders en de jeugd."

*) Men leze het ingezonden stukje van Mevr. A. Tjadenv. d. Vlies in Het Handelsblad van Zaterdag 30 Januari en het antwoord van Ph. Mechanicus. VgL het artikel van dezen laatste, Karakter en doel der antireligieuze musea, 9 Jan. '32.

Sluiten