Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was mij vooral pijnlijk, dat ik de bidstonden zoo weinig had bezocht. „Gij hebt het verdiend, en daarom moet gij dezen weg gaan!" klonk het in mij. Het ging mij als Petrus na de verloochening, ik draaide mijn gezicht in het kussen, en tranen van berouw vloeiden onweerstaanbaar. Daarna werd ik rustiger. Spoedig daarop riep men mij tot den arbeid. Rustig stelde ik mij in de rijen. Bij het schip moesten wij van elkander scheiden, en ik moest dan weer op mijn oude plaats gaan werken. In plaats dit te doen mengde ik mij echter onder de scheepsarbeiders en betrad met hen het schip. Ik snelde aan de andere zijde van het schip, — niemand was daar. Toen ik een deur opende, om in het binnenste van het schip te komen, wordt ook de tegenoverliggende deur geopend, en iemand ziet naar binnen. Vlug sluit ik en snel naar een andere deur, die ik open. Er is niemand te zien. Vlug snel ik de trap af naar beneden en kom in de stookruimte. Zij is leeg. Slechts een petroleumlamp verlicht spaarzaam het ruim. De eene hoek is geheel leeg. Daar val ik op de knieën en dank God voor de redding, want ofschoon ik pas de eerste schreden daartoe had gedaan, was ik toch van het welslagen er van overtuigd. Verder bad ik, dat de eerste man, die het ruim betreden zou, degene zijn mocht, aan wien ik mij mocht toevertrouwen.

Spoedig daarna komt iemand de trap af naar beneden. Hij gaat naar het vuur en werpt er kolen op. Dan verlaat hjj' het ruim. Ik neem hem waar uit mijn schuilhoek, hij bemerkt mij echter niet. Spoedig komt hij terug. Eer hij het ruim verlaat, roep ik hem. Hij komt naderbij. Ik zeg hem, wie ik ben, en vraag hem om toestemming, op het schip te vluchten. Hij haalt een zaklantaarn te voorschijn, belicht mij van het hoofd tot de voeten, licht ook in alle hoeken en zegt dan: „Beste man, dat kan ik niet." Dan verlaat hij het ruim. Zijn afwezigheid gebruik ik om te bidden. Spoedig komt hij terug en brengt mij naar een andere plaats. Daar verhoort hij nuj nog eens, gaat dan heen en

Sluiten