Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drogen. Als zij bijna droog zijn, komt mijn beschermer en roep: „Dadelijk zijn wij bij het contrölestation." Wij waren er dus nog niet door, zooals ik vermoed had. Weer ga ik bij het gat zitten, om naar beneden te kruipen, wanneer het noodig mocht zijn. De geheele bemanning moest op het dek. Dan hoor ik mannen aan boord komen. Het is de GP.Oe. Muisstil zit ik in mijn schuilplaats, om zoo noodig dieper te verdwijnen. Het wordt weer stil. De mannen hebben het schip verlaten, en het schijnt mij, alsof het zich weer in de vaart bevindt. Daar zie ik plotseling licht in den ingang van mijn schuilplaats. Vlug kruip ik naar beneden, kom echter niet ver, want verbazend vlug nadert het licht zich op den ingewikkelden sluipweg. Thans zie ik den man met de lantaarn, nu licht hij mij juist in 't gelaat. Ik sidder aan mijn geheele lichaam en wacht slechts op de woorden: „A nuka, towarischtsch, wyljesaj!" (Nu, kameraad, kom maar te voorschijn). Daar bukt hij zich, ik zie hem in 't gezicht en — Goddank — het is mijn beschermer. „Kom te voorschijn, zij zijn weg, de duivels. Zij hebben echter gezocht, vijfmaal telden ze ons." Met vurige dankgebeden, echter nog aan het geheele lichaam sidderend, kruip ik te voorschijn. Ik moet in het stookruim komen en men geeft mij te eten. Van dien tijd af werkte ik alle dagen in het stookruim, en alleen om te slapen zocht ik mijn schuilplaats op.

Na menigerlei hindernissen, voornamelijk van formeelen aard, ben ik door hulp van vrienden gelukkig naar Duitschland gekomen.

Groote dingen heeft God aan mij gedaan en mij met machtigen hand uit de verschrikkelijke handen van de G.P.Oe gered. Hem zij eer en dank daarvoor. Ik ben gered — maar nog smachten millioenen in de gevangenissen, concentratiekampen en oerwouden van Noord-Rusland en Siberië. Daaronder zijn ook vele kinderen Gods, tegen wie de G.P.Oe in bijzondere mate woedt. Daarom moeten we niet moede worden, voor onze broeders in Rusland te bidden. Het best zouden de arme menschen

Sluiten