Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAT ER OP HET VERBOD MIJNER RADIO-TOESPRAAK VOLGDE.

Zoodra het bericht mij bereikte, dat mijn radio-toespraak verboden was, heb ik onmiddellijk naar den Haag getelefoneerd om de reden. Misschien, zoo vroeg ik, zou de zaak nog in orde kunnen komen met enkele wijzigingen of schrappingen hier en daar? Neen, het bezwaar gold mijn heele toespraak. Op mijn verzoek om dan schriftelijke opgave der bedenkingen te mogen ontvangen, kreeg ik do. 24 October het volgende antwoord (doorslag van het schrijven aan de N.C.R.V.):

In verband met een verzoek van Dr. F. J. Krop om de nadere redenen te mogen vernemen, waarom de Commissie bezwaar heeft tegen diens rede: „Hoe staat het thans met de geloofsvervolging in Rusland? Hoe met de hulpactie?" voor 25 dezer, deelt de Commissie U mede, dat deze rede een politieken inslag had en niet voldeed aan het voorschrift van art. 2 lid 2 van het Radioreglement 1930, zooals dit is gewijzigd bij KS. van 22 April 1933 no. 223, volgens welke bepaling politieke uitzendingen slechts mogen inhouden een stellige of toelichtende uiteenzetting van beginselen.

Verder kwam de rede in strijd met de bepaling van art. 3ter der Telegraaf- en Telefoonwet 1904, waarin o.m. is bepaald, dat de uitzendingen geen gevaar mogen opleveren voor de veiligheid van den Staat.

De wnd. Voorzitter, (w.g.) WERKER. De Secretaris,

(w.g.) E. P. WEBER. Tot mijn leedwezen moet ik bekennen, dat ik

Sluiten