Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarde en weelde-artikelen. „Prawda" van 19 Mei 1922).

De 3de tabel zegt, dat tot 15 Juni uit 50 gouvernementen en autonome gebieden van de R.S.F.S.R. uit kerken, kloosters en bedehuizen bijeengebracht zijn: 21 poed 9 pond 38 sol. goud, 17961 poed 11 pond zilver, 33700 briljanten, 3 poed 15 pond 11 sol. parels, 43711 edelsteenen, 1880 roebel in goudmunt en 12422 roebel in zilver.

En ten slotte geelt de 4de tabel de totaalopbrengst van het zilver, dat tot het einde van het jaar uit de kerken geroofd is. Volgens opgave van het Z. K. tot steun der hongerenden bedraagt die hoeveelheid 23997 poed. Door de „Iswestija", Nr. 287, (1726) 19.7.22 wordt dit erkend en als „belachelijk weinig" aangeduid.

De veroorzaakte schade laat zich niet inventariseeren. In 10 maanden werd alles geroofd wat in den loop van eeuwen door de hand der liefde tot versiering van de kerk werd verricht. Voorwerpen van de grootste kunstwaarde werden vernield. Tegenwoordig zijn alla heiligenbeelden van hun tooi beroofd. Zelfs is het zilverbeslag van de koperen deksels der lijkkisten van de patriarchen afgerukt. De zijden damasten gewaden liggen op hoopen. Zilveren kandelaars en andere kerkelijke voorwerpen werden gesmolten. Aldus ziet het beeld van het „doode KremL" er uit, zooals de heer Paul Scheffer dit beschrijft in zijn brief van Dec. 1922, gericht aan het Berliner Tageblatt.

„Overeenkomstig de officiëele Sowjet-statistiek bedraagt de waarde van de kostbaarheden, die aan de kerk zijn ontvreemd, in Mei 200 millioen goudroebel. Deze som is 1 Juli bijna verdubbeld.. Tot ondersteuning van de hongerende bevolking werd van dit bedrag 1 millioen (I) goudroebel gebruikt." („Weekblad" van de O. M. R„ Nr. 51 van 31.7.22).

Toen in 1927 tusschen Stalin en Trotzki ernstige meeningsverschillen ontstonden, ver klaarde de thans geachte leider, dat, toen

Sluiten