Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeren in al de landpalen van Israël ? Zoo ae nu toe, wat antwoord ik Dien zal wederbrengen, Die m« gezonden heeft." David maakt daar erns mede. Hij houdt voor waarachtig, dat komen zal wat Gad in den Naam des Heeren spreekt! H* legt niet, en denkt ook niet: dat zal de Heere nimmer doen, want Hij is veel te goedertieren om zulke schrikkelijke ellende over mij en mijn volk te brengen." Neen, hij gelooft, wat Gad zegt. Hij ziet voor zijn geestesoog het schrikkelijke al oprijzen. Hij ziet den honger reeds heerschen, hij neemt de jammeren van den krijg reeds waar, hij ziet de menschen al wegsterven onder de verderfelijke ziekte. En het wordt hem benauwd, uiterst benauwd! Zoodat hi, zich niet te bergen weet. , .. ,

Dat is echter niet het eenige, dat wij opmerken. Er is nog een tweede stuk, dat in de houding van David tegenover de oordeelen des Heeren onze aandacht trekt: David onderwerpt ach ook aan die oordeelen. Hij aanvaardt die oordeelen. Hij keert er zich niet van af. hoe bang het hem ooi is. Hij smeekt niet, dat de Heere hem toch van die keus zal vrijstellen en intrekken wat Mij hem voorstelde. Hij bidt de oordeelen niet af. Hij voert er ook niets tegen aan. Als God tot Hem komt, heeft David zijne zonde en schuld reeds beleden, want hij heeft tot God gezegd: „Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad Uws knechts weg. want ik heb zeer zottelijk gehandeld. Hij

Sluiten