Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de hand des Heeren moest de straf komen. David moest weten, dat de hand des Heeren hem trof. Dan was het hem goed. Dan alleen. Blijkt daaruit niet duidelijk, dat hij aan den Heere zich vastklemt? In zijne ziel leefde dezelfde gezindheid als in de betuiging der gemeente in Jesaja 26: „Wij hebben, ook in den weg Uwer gerichten, U o Heere! verwacht: tot Uwen Naam en tot Uwe gedachtenis is de begeerte onzer ziel." (vs. 8). Als de Heere Zelf met Zijne Hand slaat, dan is er nog hoop, want Zijne barmhartigheden zijn zeer vele." Als de Hand des Heeren met gerichten treft, dan ziet het er heel anders uit dan onder de handen der menschen. Menschen kennen, als het er op aankomt, geen mededoogen. Menschen worden door wraakzucht bestuurd en vieren hun woede den teugel. Maar bij den Heere is barmhartigheid, is liefde tot het ellendige. En Zijne barmhartigheden zijn zeer vele. Hij weet van ontfermen, hoe schrikkelijk het er ook voor sta, hoe zeer Hij ook toornt. Daarom roept David uit: „Laat mij toch in de hand des Heeren vallen!"

Geliefden, wij hebben in ons tekstwoord een betrouwbaren gids op den weg, dien wij hebben te volgen onder de omstandigheden, waarin wij heden ten dage ons bevinden. Wij staan wel niet voor eene aankondiging door profetenmond, maar de mogelijkheid is niet uitgesloten, dat wij ook nog op 't onverwachtst betrokken worden in den krijg, gelijk wij reeds sommige gevolgen

Sluiten