Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft vaak gefilosofeerd over dat: „het berouwde Hem" en gevraagd, hoe zulks bestaanbaar is met Gods eeuwigen raad. Het is wel te begrijpen, dat zulk eene vraag opkomt. Maar dat zij opkomt, is gevolg van eene verkeerde beschouwing; van eene beschouwing namelijk, waarbij men alles tot een stelsel maakt, waarin voor de bewegingen des levens geen plaats is. Gelukkig, Gel.! dat onze God niet — laat mij zeggen — in een stelsel gevangen zit. Alles aan Hem is leven en beweging. Daar zijn ook keerpunten in het doen des Heeren. Onze God is geen machine, maar Hij leeft. Hij heeft een hart. En dat hart spreekt, als Hij het verderf aanschouwt, dat de engel in Jerusalem aanricht. Hij beveelt den engel: „het is genoeg, trek nu uwe hand af." David speelt hierin volstrekt geen rol. De Heer ziet de ellende van Jerusalem, en daar wordt Zijne barmhartigheid levendig.

David weet daar ook nog niets van, merkt er nog niets van. Hij ziet den engel. Al heeft die zijne hand afgetrokken van Jerusalem, die hand houdt nog altoos het zwaard. David ziet het nog boven Jerusalem. En zijn hart breekt. En hij roept het uit, tot God sprekend: „Ben ik het niet, die gezegd heb, dat men het volk tellen zou? Ja, ik zelf ben het, die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O Heere, mijn GodI dat toch Uwe hand tegen mij en tegen het huis mijns vaders zij, maar niet tegen Uw volk ten plage."

Sluiten