Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorheen den var van Elia op den Karmel en de offeranden van Salomo bij de inwijding des tempels (2 Ch. 7 : 1). Zoo heeft de Heere aan David op heerlijke wijze bekend gemaakt, dat de begeerte zijner ziel hem was geschonken. In het offer heeft de Heere David opgenomen in Zijne gemeenschap, hem voor aller oog Zijne nunst betoond. — En dat niet alleen, maar wq lezen nog verder (vs. 27): „En de Heere zeide tot den engel, dat hij zijn zwaard weder in zijne scheede steken zou." Zoo deed dus de Heere in zijne barmhartigheid het oordeel een einde nemen of zooals het in II Sam. 24 heet: „Alzoo werd de Heere den lande verbeden en deze plagen van over Israël opgehouden." (vs. 25b).

Zietdaar dan, Gel.! hoe de rechte houding van David tegenover de oordeelen des Heeren door den Heere beantwoord is. David is in de hand des Heeren gevallen, en hij heeft barmhartigheid gevonden door het oordeel heen. Dat mag toch waarlijk barmhartigheid heeten, dat de Heere iemand, die niet dan oordeelen verdiend heeft, opneemt in Zijne gemeenschap.

Zoo heeft David dus verkregen, wat hij. zoodra zijne zonde hem voor oogen trad, van den Heere vuriglijk begeerd heeft: de wegneming zijner misdaad. Aanvankelijk kreeg hij geen antwoord op zijn smeeken, en dat heeft gewisselijk zijne smart vergroot. Maar op des Heeren tijd kwam het antwoord, toen hij n.1. op des Heeren bevel het altaar gebouwd had en met

Sluiten