Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brand- en dankoffer voor Diens aangezicht verscheen.

Daarin ligt ook voor ons eene onderwijzing, waarop wij met nadruk de aandacht moeten vestigen. De vergeving der zonden is niet een gevolg van het dragen der straf. De grond van de vergeving ligt alleen in het offer. Niet het dragen der straf is voldoening aan de gerechtigheid Gods; die voldoening ligt in de offerande. De beteekenis van dat offer heeft David dan ook diep gevoeld. Daarvan lezen we in vs. 28 van ons hoofdstuk: „Terzelfder tijd — in dien tijd —, toen David zag, dat de Heere hem geantwoord had op den dorschvloer van Ornan den Jebusiet, zoo offerde hij aldaar." Daar heeft hij dus voortaan geofferd. Daar heeft hij ook blijkens het volgende hoofdstuk de plaats van den Tempel verordend: „Hier zal het Huis Gods des Heeren zijn, en hier zal het altaar der brandoffers voor Israël zijn." Daar zijn dus al de eeuwen door de offers gebracht, waarin Israël tot God mocht naderen en waarin God tot Israël naderde, wegnemend de zonden Zijns volks en hen opnemend in en verzekerend van Zijne gemeenschap. De offers, die heenwezen naar en hunne vervulling gevonden hebben in het groote offer op Golgotha. Op dat offer heeft de Heere het oog gehad, toen Hij Zijne barmhartigheid aan David verheerlijkte in de vergeving zijner zonde zoowel als in de opheffing van het oordeel. Op dat offer zij dan ook ons oog gevestigd.

Sluiten