Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een vreeselijke ontdekking! Eene ontdekking,, waarin zij het niet kunnen uithouden. Waarom niet? Niet enkel, omdat zij niet anders verdienen dan voor eeuwig van den Heere verwijderd te worden, weggeslingerd in het eeuwig verderf. Maar ook, en meer nog, om een andere reden, die wij leeren kennen, als wij nogmaals de aandacht schenken aan die betuiging „tot Uwen Naam en tot Uwe gedachtenis is de begeerte onzer ziel". Daaruit spreekt toch ook het smachtend verlangen, dat die Naam en die gedachtenis des Heeren goed uitkomen, tot hun recht komen in hun leven.

Met zichzelven bekend geworden, staan zij dus voor het vreeselijke feit, dat door hen en hun doen de Naam des Heeren onteerd, Zijne gedachtenis tot eene aanfluiting is geworden. Dat is het, wat hun ondragelijk is. Vandaar dat verwachten van den Heere ook in den weg Zijner gerichten! Het is het onuitsprekelijke verlangen, dat de Heere zelf zich aan hen verheerlijke in Zijne genade, opdat Hij van hen en door hen in alle opzichten ontvange de eere, die Hem toekomt.

III

Zoo komen wij allengs tot de derde vraag: Hebben wij noodig, den Heere alzoo te verwachten?

Uit den aard der zaak gaat het immers om de toepassing! Ook dit woord wordt ons voor-

Sluiten