Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezen tekst kan hooren spreken: „Zeker, het geloof is onmisbaar, maar we moeten toch ook heiligmaking hebben, want zonder heiligmaking zal niemand den Heere zien." Dan wordt „heiligmaking" eigenlijk gedacht als een saldo fci onzen gunste in de rekening, dat wij moeten zien te vergrooten zooveel wij kunnen! Het „jagen naar heiligmaking" bestaat dan in een streven om die post altijd hooger op te voeren. Tot het volle bedrag — het in ieder opzicht, op elk stuk van het levensgebied, te allen tijde, naleven van Gods geboden — komt men wel niet — de ervaring leert anders! «— maar voor de overgebleven zonden vertrouwt men dan op de genade van Christus.

De dingen zóó ziende, voelt ge zeker nog duidelijker, dat in deze gedachtenwereld de mensch zelf staat als bewerker der „heiligmaking", — waar Paulus nooit aan gedacht heeft; ook niet toen hij de aangehaalde woorden aan de Thessalonicensen schreef, want de man, die den Thessalonicensen toeriep: „Dit is de wil

Gods, uwe heiligmaking " is dezelfde, die

straks zijn hart voor hen lucht in de bede aan het slot van zijn brief: „En de God des vredes zelf heilige u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus; Hij, Die u roept is getrouw, Die het ook doen zal" (I Th. 5 :23, 24).

Paulus weet van geen andere heiliging dan

Sluiten