Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over de heiligmaking in den zin van een wandel in Gods geboden. Als hij spreekt van „de heiligmaking", dan staat hem die „heüigmaking" of „heiliging" voor oogen als een zeer bepaalde grootheid, een zeer bepaald goed, dat buiten den mensch ligt. En het „jagen" daarnaar is: er naar staan, die heiligmaking deelachtig te worden.

„Maar wat is dan dat goed, wat verstaat de schrijver dan onder die bepaalde heüigmaking waarvan hij zegt, dat zonder haar „niemand den Heere zien zal"?

Een van de eigenaardigheden van den Brief aan de Hebreeën is, dat daarin niet van „rechtvaardigen" wordt gesproken, maar altoos van „heiligen" en „reinigen". De laatste uitdrukking ziet op de wegneming der zonden. De eerste omvat meer, want „heiligen" is: afzonderen van de zonde en toewijden aan God en Diens dienst.

Dat de schrijver van onzen Brief steeds van „heiligen" spreekt, is natuurlijk niet toevallig, maar het hangt samen met gedachten, die hij bij de Hebreeën vond en waarvan hij hen tracht af te brengen, omdat het verkeerde gedachten waren.

Zij waren tot het geloof in Jezus Christus gekomen, hadden deswege zelfs veel lijden doorstaan. Maar nu waren er in de war geraakt met de ceremonieele Wet. Die Wet was toch van God Zelf afkomstig. Was het dan niet noodig, hare voorschriften op te volgen? Konden zij dan waarlijk zonder het opvolgen van die voorschrif-

Sluiten