Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesproken, waar de schrijver handelde over de kastijding, die de Hebreeën deelachtig geworden zijn. In dat „den Heere zien" wordt de eeuwige heerlijkheid naar haar kern geteekend, zooals Johannes dat uitvoeriger doet, wanneer hij in zijn Eersten Brief schrijft: „Geliefden! nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk 2?. . ,wezen' wan* wij zullen Hem zien, gelijk Hij is." Daarom is dat „zien van den Heere" het hoogste, dat een mensch ten deel kan vallen: het eindresultaat van de verlossing, die de Heere bereid heeft, waarnaar het verlangen van Zijn volk zich uitstrekt.

Zonder deze heiligmaking, de heiliging door het bloed van Jezus Christus, zal niemand den Heere zien. Alle andere heiligmaking, hoever men het daarin ook meene gebracht te hebben, baat hier niets.

Tot waarschuwing van de Hebreeën is het allereerst gezegd. Tot waarschuwing van hen, die door het opvolgen van de voorschriften der ceremonieele wet dachten zelf iets te moeten bijdragen tot hunne zaligheid. Tot waarschuwing ook van allen, die meenen, naast Christus ook eigen werk te moeten hebben, om dat aan God te kunnen toonen. Al wat gij zelf meent te hebben, o mensch, baat u niets. Want uwe werken maken u niet in overeensteniming met Gods heilige wet. Hoever gij ook op den weg eener

Sluiten