Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staan, daar is niets meer tusschen hem en den Heere. Die heeft een geopenden toegang tot Hem. Die mag vrij voor des Heeren aangezicht komen, wanneer hij den adem uitblaast, of wanneer tijdens zijn leven de jongste dag aanbreekt. Dat is te danken aan Christus, op Wien hij zich verlaat. Want de zaak staat voor hem zóó — naar luid van de laatste verzen van Hebr. 9: Christus is „eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen door Zijne Zelfofferande. En gelijk het den menschen gezet is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel, alzoo ook Christus, éénmaal geofferd zijnde om vele zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid."

III

Staan wij ten slotte nog stil bij het najagen van deze heiligmaking.

Waarom is dat noodig, dat najagen? Die vraag komt onwillekeurig op bij wie zich herinnert wat in het 10e hoofdstuk staat (vs. 10): „in welken wil wij geheiligd zijn door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied." Daar zegt dus de schrijver onbewimpeld, zonder eenige aarzeling: „Wij zijn geheiligd." Dat zegt hij in de eerste plaats van zichzelven, maar ook van zijne lezers — want die maken met hem die „wij" uit —, dus van de Hebreeën. En nu roept hij in onzen tekst dien-

Sluiten