Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alles blijft doodstil. Zwaar klinkt het ronken der slapers... die op het aanbreken van den morgen wachten om zich weer te storten m het woelig leven van den Chineeschen en Inlandschen handel.

Groote pakken teekenen een angstig-zwarte schaduw achter zich af.

Menschenstemmen klinken m de verte, een duif roekoet in den nacht en schudt zich de veeren.

En dan slaat ineens door den nacht de felle schijn van het blitzlicht en de slag van de zware patroon weergalmt onder het ijzeren dak, hard en fel. Menschen komen overeind en wrijven zich de slaperige oogen uit... maar dan valt weer de stilte. Onbewogen staat de zwarte nacht als een koepel over de stad, waar weer alles stil wordt en alle geluiden vergaan.

Ergens in de verte klinkt de ratel van een bami-man... en uit een vreemd-donker gangetje komt dan een oude Chinees te voorschijn, die met schelle stem zijn bami en andere kostelijke vetgerechten aanprijst.

En achter hem een koelie met een pikolan, waarop een rookende vlam waggelt en beeft...

Even zwijgt de man als hij ons passeert... en dan verdwijnt het stel weer in een der mysterieuse poortjes, die uitloopen op een ongeweten gangetje dat in duisternis doodloopt.

En overal heb je die zonderlinge doorkijkjes, die vreemde poortjes, waarin een eenzame Inlander leunt en in den nacht staart...

En achter de poortjes glimt het licht van de maan en teekent contouren om de dakpannen en huizenwanden. En als het miesregent, ligt over alle schilderachtige hoekjes en doorkijkjes die vreemde, roode tint, omdat de maan dan een roode lamp in den helderen hemel lijkt...

En rustig gaat de ademhaling van dat groote labyrinth, waarin de smokkelaars leven en bewegen — en waar op kille passers de koelies slapen en een nieuwen dag wachten.

En in den tweeden Kerstnacht, toen we daar rondzwierven en de foto's maakten, die de lezer in dit artikel vindt, toen begon daar opeens, te middernacht boven die stille stad een klok te luiden, we weten niet van waar.

En de klokketonen bleven hangen in den duisteren miezeregennacht en tuimelden over elkaar en dansten en tjingelden over de daken van de slapende stad, als een droom van schoonheid boven een land van leed.

Sluiten