Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelen van den kant der psyche na opiumgebruik is, dat de rooker naar het gift begint te verlangen.

Wat gebeurt er, als men een paar pijpen „tjandoe" rookt?* Ledantec onderscheidt in zijn Precis de Pathologie exotique drie opeenvolgende stadia of graden. Het eerste stadium noemt hij Etat de surlucidité cerebrale en hij verstaat daaronder die eigenaardige psychische prikkelingstoestand, waarbij de associaties vlugger en gemakkelijker verloopen. Neemt men nog wat meer tjandoe, dan komt men in het tweede stadium, in het Etat de beautitude. Het is dit stadium van gelukzaligheid, dat Claude Farrère in zijn Fumée d'opium als volgt 'beschreef: „Oh, se sentir de seconde en seconde moins charnel, moins humain, moins terrestre, guetter le libre envol de 1'esprit qui s'échappe de la matière, de 1'ame désentravée des lobes du cerveau; — admirer la multiplication des facultés nobles (intelligence, mémoire, sens du beau), devenir en quelques pipées 1'égal véritable des héros, des apötres, des

dieux ". (Ledantec loco cit. pag 1077). Verhoogt men de

dosis dan komt het eindstadium, het état cPivresse, waarin de vergiftigingstoestand een ergen graad bereikt. De psychomotore processen worden thans bemoeilijkt, het bewustzijn wordt totaal beneveld. Het is dit stadium, 'dat Mikucho-Maclay aldus beschrijft: „Men krijgt een gevoel van diepe rust, waarin men niets, absoluut niets ondervindt, aan niets denkt, niets begeert, in het kort een toestand, gelijk aan het Boeddhistisch Nirwana (1), waarin het Ik in psychologischen zin is uitgebluscht (Prof. Rho in Mense's Handbuch der Tropenkrankheiten).

Het ergst lijdt het karakter van den opiumschuiver. Hij wordt een zwakke, willooze, futlooze, slaperige persoonlijkheid, die geen daadkracht meer kent, geregeld moe is, en tegelijk prikkelbaar,

apathisch, zonder schaamtegevoel, en onoprecht. Alle

ethische waarden gaan verloren, de opiumschuiver is gedemoraliseerd. Men kan zich deze demoraliseering met Bonhoeffer aldus ontstaan denken, dat de tevoren bestaand hebbende (pre-existeerende) degeneraiieve aanleg, onder invloed van het gift, door het wegvallen van de hoogere remmingen, zich vrijelijk kan uiten. Ten slotte ontziet de opiophaag niets of niemand meer en is zijn eenig levensdoel, het bemachtigen van opium, ook al, om de lastige abstinentie verschijnselen (pijnen, onrust, sidderen, slapte, collaps) te bestrijden. Dan komt de opiumschuiver vaak met den strafrechter in aanraking. In de gevangenissen komt men hem geregeld tegen.

Sluiten