Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met het onderzoek van den opiumrook hebben zich vele scheikundigen beziggehouden. ..

Browne Frank onderzocht den rook van een extract, dat hij gemaakt had uit 9.5 kg opiumresidu uit de schuifpijp en vond daarin geen koolmonoxyd, 147 mg pyridine, 395 mg ammoniak en 16 mg morfine of omgerekend in procenten 0,001 pyndtne, 0.004 voor ammoniak en 0.00015 voor morfine.

Tegen de aanname, dat bij het opiumrooken de werkzame vergiftige bestanddeelen dezelfde zouden zijn als bij het gebruik van opium op andere wijze, kwam ook prof. Hartwich op. Mede op grond van de onderzoekingen van Simon, komt ook hij tot de overtuiging, dat 't hier gaat om een werking van de verschil lende ontledingsproducten van het opium. Moissan toonde overeenkomstig de resultaten van Hartwich en Simon het voorkomen van pyrrol en pyridine in den rook aan.

Volgens Dragendorf vervluchtigt bij het rooken een weinig morfine tegelijk met de reeds genoemde aromatische ontledingsproducten. Browne houdt de werking van het opiumrooken op t organisme voor de minst schadelijke werking van het opium, aangezien slechts een uiterst geringe hoeveelheid morfine uit den rook mee overgaat.

Daarentegen vond W. Straub langs biologischen weg, dat morfine ook als geen luchtverdunning wordt toegepast, sublimeert, zoodat de opiumrook daarvan niet vrij kan zijn. Koks meent, dat de aminen van den rook door het zich verbinden met t meconine, dat erin voorkomt, de opwekkende werking van het opium veroorzaakt, in het bijzonder bij v.n.1. vegetarisch levende menschen.

Prof. Thoms vestigt nog de aandacht op de mogelijkheid om de aanwezigheid van enkele vluchtige basische stoffen verkeerdelijk voor morfine te houden, als pyridine en piperidme, daar dit basenmengsel enkele reacties geeft, die karakteristiek zijn voor morfine. Engelsche sigaretten, die hij had onderzocht omdat daarin de aanwezigheid van opium vermoed werd, bleken geen morfine, noch eenige andere opiumbase te bevatten, maar in den rook werd een positieve morfinereactie waargenomen, welke hij toeschreef aan de hierboven genoemde stoffen. Het behoeft geen betoog, dat deze mededeeling van Prof. Thoms van buitengewoon groot belang is voor de oplossing van dit vraagstuk en ook voor de waardeenng der resultaten, als bijv. door Dragendorf verkregen.

Gewaarschuwd dient te worden tegen gevolgtrekkingen, zoo-

Sluiten