Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gediend, werd in 1901 de nieuwe opiumfabriek in gebruik gesteld. In dat jaar werd er van ruw Bengaalsch en Levantsch opium de te debiteeren stof bereid tot een hoeveelheid van 451.000 thails, terwijl nog 9000 thails werden verkregen van het door schuivers ingeleverde verbrandingsproduct djitjing.

Met reuzensprongen nam de productie toe, want zes jaren later bedroeg deze reeds 1.187.000 thails aan bereid opium en 36.000 thails aan djitjingko.

In 1908 verscheen het eerste officieele verslag van de opiumfabriek, welke, te voren onder het beheer van den dienst der opiumregie staand, hiervan in genoemd jaar afgescheiden en aan het departement van gouvernements bedrijven gevoegd werd. In datzelfde jaar werd beslist, dat de opium-regie „ook dienstbaar gemaakt moest worden aan een meer daadwerkelijke bestrijding van het opiumgebruik".

Wat er van die daadwerkelijke actie tegen het gebruik, welke zou moeten plaats hebben tegelijk met de daadwerkelijke verkrijgbaarstelling van opium voor het gebruik, is terechtgekomen, kunnen de lezers opmaken uit de hierboven geproduceerde cijfers betreffende het debiet.

In elk geval werd in het regieverslag van 1915, dus zeven jaar na de aankondiging van de omschreven opiumpolitiek en ruim twintig jaren na de invoering van het staatsmonopolie, vastgesteld, dat het resultaat van de beperking „niet overal duidelijk zichtbaar" was, hetgeen werd toegeschreven aan het feit, dat „onder de bevolking nog geen krachtige beweging tegen het opium" bestond. De dienst der opium-regie, die door den verkoop een beweging had ingezet pro gebruik, verwachtte dus een van de bevolking uitgaande reactie tegen het gebruik!

Intusschen — in 1909 — hadden de Nederlandsche leden van de te Shanghai bijeengekomen internationale opiumcommissie verklaard, dat de Nederlandsch-Indische regeering, overtuigd van de wenschelijkheid tot bestrijding van het opiumgebruik, zich nimmer door financieele overwegingen zou laten weerhouden van het nemen van maatregelen, waarvan te verwachten was, dat zij inderdaad tot een „geleidelijke vermindering van het gebruik" zouden kunnen leiden.

In één jaar tijd dus was de politiek van de „meer daadwerkelijke bestrijding van het gebruik" veranderd in het stelsel van „geleidelijke vermindering van het gebruik".

Sluiten