Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ding van het licentiestelsel, ten opzichte van welke maatregelen reeds vrij spoedig daarna, met het oog op de debietsdaling in 1921 en 1922, werd besloten, om ze „niet zoo vlug" te doen plaats hebben, hoewel erkend werd, dat die debietsdaling moest worden toegeschreven aan de algemeene malaise.

In 1922 wendde de commissie van advies in opium-aangelegenheden van den Volkenbond zich tot de regeering van NederlandschIndië met de vraag, wanneer deze zich voorstelde, het gebruik van toebereid opium geheel te kunnen verbieden. En ziehier het regeeringsantwoord op die vraag: „Het streven is, het gebruik zooveel mogelijk te beperken, en te voorkomen, dat zich een nieuwe generatie van schuivers vormt. Hun, die reeds verslaafd zijn aan opium, dit te onthouden, zou noodeloos hard Zijn en tot zeer nadeelige gevolgen voor hun gezondheid leiden. Zoolang er nog geen afdoende internationale maatregelen getroffen zijn, waardoor een eind gemaakt is aan den sluikhandel in verslavingsgiften, zal het afschaffen van het Regeeringsmonopolie in Nederlandsch-Indië er niet toe kunnen bijdragen, het opiumgebruik te doen verminderen".

Het antwoord is weinig bevredigend te achten, omdat naar mijn vaste overtuiging geen noemenswaardige beperking van het gebruik binnen afzienbaren tijd zal worden verkregen zonder beperking van de verkrijgbaarstelling.

Te voorkomen, dat zich een nieuwe generatie van schuivers vormt, lijkt ons, bij voortzetting van den verkoop, niet mogelijk, wijl immers in 1930 nog een belangrijke hoeveelheid opium aan anderen dan licentiehouders is verkocht (totaal 697.983.80 thails tegenover 578.662.01 thails aan licentiehouders).

Het aantal van hen, die zoodanig verslaafd zijn aan opium, dat een onthouding nadeelig zou zijn voor hun gezondheid, is met bekend.

Ik ben van meening, dat deze personen de minderheid vormen van het totale aantal Inlandsche en Chineesche schuivers, en waar erkend wordt, dat het opium een „gif" is, zullen toch de nadeelen bij een wijd verbreid gebruik hiervan meer gewicht in de schaal moeten leggen dan de nadeelen van een onthouding voor enkelen.

Aangezien reeds gebleken is, dat de verslaafdheid nauw verband houdt met- en voor een groot deel ingegeven wordt door de geboden gelegenheid tot aanschaffing, zal zij in wezen geheel veranderen bij verbod tot gebruik, vooral wanneer de sterke vermindering of absolute afschaffing van den verkoop binnen b.v. tien

Sluiten