Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoemd is in den Quran, heeft toch de Godsgezant Muhammad,

wien Allah eere heeft gegeven en vrede, — twee voorschriften

gegeven, welke geen twijfel laten. Het eerste is, dat alles waarvan het kwaad vaststaat haram is.

Haram nu beteekent niet enkel „verboden" in den zin, dat overtreding tot een zonde wordt, die in het hiernamaals gestraft wordt, doch duidt aan, dat hetgeen verboden wordt een misdaad is, welke een maatschappelijk kwaad veroorzaakt. Zoowel de ervaring als het wetenschappelijke onderzoek, heeft in den loop der historie de waarheid van het vorenstaande voor wat betreft de alcoholische dranken (chamr), de dobbelarij (maisir) en de ontucht (zina) zonder voorbehoud, — zij het ook niet steeds even gaarne, — moeten toegeven. Over het kwaad van het opium behoef ik niet uit te weiden. Ik vertrouw, dat deze kant van het vraagstuk wel voldoende in andere bijdragen wordt belicht. Hoever en hoe diep dat kwaad kan inwerken en doorvreten in alle lagen in deze koloniale maatschappij verhaalt Perelaer op aangrijpende wijze in zijn boek „Baboe Delima". Uit den aard der zaak kom ik met dat kwaad in de Islamietische groepen, waarin ik mij beweeg, niet in aanraking. De naleving van den Islam is daartegen in deze groepen een afdoende bescherming.

Het tweede voorschrift verklaart vergiften „nadjis", d.w.z. materieel onrein. Men moet elke aanraking er mee vermijden.

Van zulke onreinheid moet de mensch zijn lichaam, zijn kleeding en ook elk gebruiksvoorwerp, alsook zijn woning geheel zuiver houden. Elk spoor van een dergelijke stof, zich verradende door kleur of geur, moet door herhaaldelijke wassching verwijderd worden. Dat het opium een vergif is, staat vast.

Na het voorgaande behoeft het wel geen betoog, dat in een Islamietisch land, als Indonesia, het opium verboden behoorde te worden.

De aanmaak en de verkrijgbaarstelling ervan konden dus als een wezenlijke aanranding van den Islam beschouwd worden.

Doch deze wetenschap dient ons tot niets, waar de Nederlandsche staat, althans wettelijk, geen godsdienst heeft. Godsdienstige overwegingen spelen dus ook in de wetgeving over de koloniën geen rol. En ten opzichte van maatschappelijke euvelen, als drank, dobbelarij en opium, (ten opzichte van hoererij — U vergeve mij het woord, doch ik meen de leelijkheid der zaak niet door

Sluiten