Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zachtere benaming te mogen verbloemen — heeft men gemeend de bekende politiek van de struisvogel te moeten imiteeren), gelden slechts overwegingen van financieelen aard.

En waar „het opiummiddel" nog steeds een belangrijk inkomen inbrengt — evenals de uitbuiting der armoede, door de pandhuizen, en het zoutmonopolie, dat op de allerarmsten een zwaardere last legt dan op de beter gesitueerden — kan van de overheid moeilijk verwacht worden, dat ze mee zal werken tot een ooiumverbod. Tenzii

een groeiende en steeds duidelijker en forscher zich uitende publieke opinie, nationaal en internationaal, krachtig genoeg zou kunnen worden om haar er toe te dwingen.

Veel hoop koester ik echter niet. Mijn ervaring in verband met de heerendiensten is daar om mij sceptisch te stemmen. Immers reeds de wetgevende macht, die in 1853 het R.R. vaststelde, verklaarde die heerendiensten als een kwaad, op de afschaffing waarvan systematisch moet worden aangestuurd. De besprekingen op de internationale arbeidersconferenties in 1929 en 1930, en eerder de besprekingen in den Volkenbondsraad, die tot het brengen van dat onderwerp op de agenda der arbeidskonferentie hebben geleid, kwalificeerden reeds die diensten als een overblijfsel van slavernij of lijfeigenschap, dat in onzen tijd niet meer past, indruischt tegen humaniteit en sociale rechtvaardigheid, dat haat en vijandschap wekt tusschen de volkeren. Men dunkt, scherpere uitspraak was haast niet mogelijk.

Een ontwerpconventie is tot stand gekomen. Liberia, Ierland en eindelijk ook Engeland hebben de conventie geratifieerd. Nederland schijnt daardoor evenwel slechts tot grootere toenadering met Frankrijk en België te zijn gebracht. En in Zuid-Sumatra en in Selebes meent het B. B. nu — na inwerkingtreding der conventie tegen gedwongen arbeid — nog strenger dan vroeger de heerendiensten te moeten eischen. Heel sterk krijg ik den indruk, dat men zijn uiterste best doet, om bij het volk elke gedachte aan een komende afschaffing van de heerendiensten uit te roeien. Dat volk mocht anders eens denken dat mijn optreden in Genève iets tot zijn verlichting had kunnen uitwerken. En dat zou immers afbreuk kunnen doen aan het prestige van het gezag

U houde mij deze kleine afdwaling ten goede, welke ik heb gemeend, niet te mogen achterwege laten, aangezien daardoor naar het mij voorkomt de geringe kans van eenig succes bij de Regeering van een anti-opium actie duidelijk wordt gedemonstreerd.

Sluiten