Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DUIKER Op 't bergvlak peinsde ik bij de diepe bron, Ik mijmerde over 't beeld van 't eigen leven, En tuurde in 't grondloos diep naar 't wondre beven, Waar ik me een schemerlach van God verzon.

'k Dook in mijn ziel: - het water rilde in reven Langs gladde wanden gleed mijn hand - ik won Een paarl - ik steeg, - mij scheen in volle zon

De matte glans om een geheim geweven!

'k Zag op: - der bergen grijns stond stram in spot,

De zon joeg juichend door het wijd heelal En lachte mij tot schreiend kind, tot zotl

Ach - 'k droeg een korrel zand! Geen godsvazal Was 'k meer - voor wien? voor wat? Ik zag mijn lot, En snikkend - lachend, vond ik 't pad naar 't daL

FABRIEKSROOK Zooals een zuil van rook haar klim in 't steile

Zoo grootsch waant, wijl de lucht haar roerloos draagt, En van beneê haar hitte en arbeid schraagt, Tot zij het wanklend hoofd verbergt in 't ijle, -

Zoo steeg ik statig uit de nauwe laagt' En stuwde een stoet van donkre droome' uit veile En zieke ziel, - toen boog 'k het hoofd een wijle,

Waar de eigen geest tol voor den hemel vraagt: -

Ik zie me uit vuur en bloed en zweet geboren, Mijn ziel zwerft weenend bij het morgengloren, Een roetvlok duizel ik op wilden wind!

Ai mij! ik weet, ik was een eenzaam kind, Geen kind in lijde': in wéten was ik blind, Waar is mij thans een plaats van rust beschoren?

Sluiten