Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LUCHTGEVECHT De zon die blaast een lustige schalmei En stuurt haar lichten troep den wolken tegen, De steigerende luchten schoon te vegen De witgebolde vijand schaart zijn rij.

De wind pijpt op zijn doedelzak de zege, Bestormt de luchtkasteele' aan alle zij En jaagt zijn koppels 't vlugge licht aan lij -

Het is één strijd, één tintelend bewegen.

't Schaatrend gevecht vervult de hemelgaarde, Daar breidt het gouden licht zijn flanken uit,

En spranklend buitien bei op lachende aarde De daverende zon neemt heel den buit!

Zoo breekt mijn lichte geest de laatste wolken, Zoo komt een blij geluk mijn ziel bevolken.

STADSKLOKKEN Een laatste roep der donkre stad verzonk, Het zwijgend water wiegde gouden spranken, Nog poosde een late lichtschijn bij een kranke, Bij zuren arbeid, of een zoeten dronk.

Toen galmde de verlaten stad en schonk Een donkren stroom van volle bronzen klanken In mijne open ziel, - ik boog tot Hanl^n,

Toen 't dreunend antwoord in een cirkel klonk.

Zoo breekt een lied uit eiken hoogen toren,

En slaat een band van jublende geluiden Om ieder eenzaam hart, dat nog kan hooren;

Een krans van klokken komt me 't uur beduiden, Daar stijgt mijn donkre ziel in lichte koren Daar slaat mijn hart, dat als een klok gaat luiden!

A. v. S. Gedichten. 2de druk 2

Sluiten