Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENZAAM

De sombre pijnen ruischten, kreunend bogen Hun donkre kronen neder naar de korst Der aarde, de winden sloege' aan mijn borst

Hun grauwe vleugels, de struiken hadde' oogen.

Ik vluchtte de verlaten hei, - de vorst Der eenzaamheid, de vale raaf, gevlogen Op mijn schouders, zat over mij gebogen,

Dat ik de bange lucht nauw aadmen dorst.

Bij 't witte dorp groette een levend wezen,

Een gulle boer van achter 'n volle kan, En voor zijn groet smolt alle leed en vreezen.

O! wanneer komt de tijd, dat ieder man In elk paar ooge' een vriendengroet zal lezen, Geen menschenhart eenzaam meer leven kan!

TOT DE ARMEN Weer groef de steenen stad haar grauwe blikken' Diep in mijn open hart, waarin 't verhaal Van zon en zomerlucht kwijnde in de taal Der heugenis, die in haar rook ging stikken.

Bij die meedoogenlooze sombre praal Voelde ik een lust om het luid uit te snikken: Waar bloeiden aan die mure' in donkre dikke

Schimmel de bloemen van een ideaal?

Maar toen ik te avond, in het grijze licht, Langs de oude gladde dorpels van de armen

Mijn schatten zocht, zonk van mijn hart 't gewicht

Van eigen leed, - toen bloeide in mij die warme

Bloem van Liefde open voor wat er ligt Aan straat en spelend glimlacht om erbarmen.

Sluiten