Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INTOCHT

Toen werd die blauwe hemel al maar wijder, Langs alle huizen lagen lichtfestoenen, Van alle daken daverden klaroenen En door de straten reed een gouden rijder.

De Zon toog vóór met koperen blazoenen, Als stedemaagd, heraut en begeleider: Het was de bloode Herfst, de schoone strijder, Zijn bloote beenen stake' in gele schoenen.

Zoo rijdt de vreugd mijn wijde poorten binnen, Verguldt het woonhuis der gestorven jaren En zet de vensters van mijn oogen open;

Mijn vlugge voeten wille' een dans beginnen -: Mijn handen reiken aan de losse blaren Om mij zie ik bedrukte menschen loopen.

SEPTEMBER September I laat uw open grijze vanen

Door koele luchten, schoone straten gaan,

Het gave goud ligt op uw zegebaan, Druipt van uw fijne wapperende manen;

Den puren honig laat ge in harten staan: Gewasschen goud in glad-gevlochten spanen,

Uw adem is ons tot het lijf gegaan En blaast ons, jonge goón, langs nieuwe banen.

Op kameraden 1 grijpt het najaarsooft, Laat wijn en wingerd om uw schansen glijden En zet een krans op 't vastberaden hoofd;

Drukt uw bewusten zin in 't jaargetijde,

Dat met zijn kloeken wind uw vlagge looft, Dat waait uw woord langs Holland's vlakke weiden 1

Sluiten