Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OCHTEND De fonkelende dag rijst vroolijk uit de hoven

En door de luchten vaart een tintiend najaarslied, De grijze hovenier glimlacht en zwijgt daarboven

Als hij zijn gelen tuin en schoone loovers ziet;

En dat gebogen blinde volk wil slechts gelooven

Aan 't klamme zure zweet, dat brood en leven biedt,

Het staat van wind en goud en zonnelicht bestoven, Het werkt voor 'n grooten heer - iets grooters kent het niet.

O! koom' die blijde dag, dat zich uw hoofden heffen Als bloemen in het licht, het onverbleeklijke, Dat het uw loutre ziel en leege oogen treffé, -

Koom' 't uur, dat gij in rijen, onverbreeklijke,

De schoonheid van uw aarde en hemel gaat beseffen, -

Kom over hen! o Schoonheid 1 onuitspreeklijkel

PLICHT

Zooals de dagen uit het Oosten rijzen, -

Na vaste vaart, die niemand kan beletten,

In 't weiflend West met goud geschreven wetten

Naar nieuwe dagen, nieuwe lichten wijzen;

Als door de nachten, tot ze in 't licht vergrijzen, De starre' hun spoor in zuivre sferen zetten, Die nooit een menschenadem kan besmetten, Waar nooit een dwaalt op onbewuste wijze: -

Zoo weet ik, dat deez' wereld reeds de banen Van ieder mensch, van ieder wisslend wicht, Tot ééne groote harmonie komt manen, -

Zoo wil ik, dat ik zelf mijn uren richt Als strak-getoomde wül'ge onderdanen

Naar éénen vromen, onontkoombren plicht 1

Sluiten