Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERFSTREGEN De regen kust mijn vensters weer,

De donkre winden sollen Het droeve liedje van weleer

Langs alle huizebollenl

Een dorre tak gaat heen en weer, En van zijn blaren rollen

De natte tranen telkens neer Altijd weer volgezwollen.

O: met de zon om 't hoofd gewonden,

Met geld en goed en zoet-gezind Wien heeft de Mei geen vreugd gezonden?

Maar in den Herfst, bij regenwind Zeg: heeft er één den moed gevonden - Achl 'k weet - ik ben een heel laf kind!

MAAN-NACHT De gracelijke maan gespte 't satijnen Kleed en zijden weefsel uit al de dalen Der aarde saam tot 'n zilvren knoop van stralen, Waaruit haar klaar gelaat stil hing te schijnen.

Toen kwam een stoet van pelgrims aan, - de schrale Noord-wind dreef hen besneeuwd door de woestijnen Der heemle', hun vilten pij aan flarde' in 't fijne Licht der maan, - 'k dacht: vanwaar? om wat te halen

Wij zijn die pelgrims door de sneeuw der tijden, Wij vragen niet vanwaar, noch uit welk lijden Wel weten wij waarnaar wij barvoets gaan;

En soms - soms dwaalt een heldere gedachte Naar 't blijde kind van latere geslachten, Als 't onze scliimmen ziet bij lichte maan.

Sluiten