Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar bij de wei daar zong, Daar door de boomen zong, Hoog in den hemel zong De lente een hed.

Ik zag een kindje gaan, En nog een beestje gaan, En nog een meiske gaan Dat was het niet.

'k Zocht bij den rozeboom, Onder den pereboom, Onder den appelboom Ik zag er niets.

Toen ben ik heengegaan, Ben ik maar weggegaan, Ben ik naar huis gegaan Zoo zonder iets.

Ik nam mijn eigen hart, Keek in mijn groote hart, Diep in mijn leege hart Of het daar lag.

Tot de dag henen was, Totdat het avond was, Tot het zoo donker was Dat ik niets zag.

Toen, in de schemering, Dacht 'k in de schemering, Dat in de schemering Iemand mij riep —;

Toen heb ik zacht geschreid, Heb ik heel stil geschreid, Heb ik zoo lang geschreid Totdat ik shep.

A. v. S. Gedichten, ade druk

Sluiten