Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als in den morgen nauw

Hun stammen rijzen uit den dauw,

Zingen mijn hooge tooverige boomen Ik hoor hun kalme klacht Tot in den stillen sterrennacht

Van al hun zangerige takken stroomen.

Als ik het leven vhed

Met in mijn hart zijn jammerlied,

Luister ik naar hun ritselende blaren Tot leed en wrevel vlucht, En ik met een gelaten zucht

Mij onder hunnen balsem voel bedaren.

Zoo 'k aan hun wortels kniek

Als 't waait en wankelt door mijn ziel,

Hoor 'k over mij hun rustig vrome koren Dan gaat mijn weenend hart En heel mijn menschehjke smart

Onder hun zingende gebed verloren.

Als in het morgenlicht

Ik, blijde om een droomgezicht,

Verdwaal onder hun sombere gezangen Dan zwijgt mijn zwakke lach, En blijft dien ganschen wijden dag

Een vreemde stilte in mijn boezem hangen.

Ik weet wat mij verstomt,

Wat van hun loovers nederkomt,

Wat daalt uit hunne wankelende kronen: Dat is vergetelheid De adem van de eeuwigheid,

Die in die duizend blare' is blijven wonen.

Ik zit in de' avondwind,

Een stil geworden menschenkind,

Sluiten