Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn droomen in den laten morgen waren Op eens als lichten in de zon verdwenen -

Maar even voelde ik of ze waarheid waren, En of ik hier verkeerd waar' op de wereld,

En hier maar uit de lucht gevallen ware, En levend op de aarde lag begraven

Als zoo een God van goud -1

DE DRALERS Het welig licht was afgekomen

En lei zich aan de kim te rust, De groote zee begon te droomen En spoelde heur rozeroode zoomen

Over de stil vergulde kust.

Wij vulden met ons beider leven

De dommelige avondlucht, Tot wij verwonderd staren bleven: Een stip kwam naar ons heen gedreven -

Een nevelige vogelvlucht.

De lucht hing vol van purpren vegen -

Wij voelden ons zoo vreemd te moe, Was het een vlucht -? wij hoopte' en zwegen, Wij meenden ze te zien bewegen Zij kwamen langzaam naar ons toel

De hemel begon uit te dooven -

Met open lippen wachtten wij, En zagen weifelend naar boven, En bleve', en wilden nog gelooven -

Zij kwamen langzaam naderbij.

Er lag al zilver op de baren -

Verlangend hielden wij de wacht, En bleven in den hemel staren - Tot er alleen maar sterren waren,

En om ons heen de stille nacht.

Sluiten