Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie trok en dreef deez' wilde kaak omlaag?

Wiens hand douwde dit voorhoofd zoo terug?

Wiens adem bhes het licht uit in dit brein?

Is dit het ding dat God het leven schonk

Om te regeeren over zee en land;

Om starre' en heemlen voor zijn macht te meten;

De drift te voelen tot onsterflijkheid?

Is dit de droom van Hem die zonnen schiep

En 't blauw heelal bestraalde met Zijn licht?

In heel de hel, tot in haar laatste kolk,

Is er geen wezen vreeslijker dan dit -

Geen grooter schreeuw om 's werelds blind begeer -

Geen dieper merk en teeken voor de ziel -

Geen zwaarder dreiging tegen het heelal.

Wat afgrond tusschen hém en de engelen 1

Slaaf aan het rad van de' arbeid, wat zijn hem

Een Plato en de vlucht der dichteren?

Wat de eindelooze toppen van het hed,

De morgenstond, het blozen van de roos?

Uit dezen gruwbren kop zien eeuwen leed;

Haar treurspel hangt op dien gebogen rug;

Uit dezen gruwbren kop roept menschlijkheid,

Misleid, beroofd, ontheiligd en onterfd,

Haar aanklacht voor de rechters van de weerld,

Een aanklacht die ook een voorspelling is.

O macht'gen, meesters, heerschers in elk land!

Is dit het maaksel dat gij Gode geeft,

Dit leehjk ding, ontwricht en uitgebluscht?

Hoe richt gij ooit deez' gruwel weder op;

Hoe wekt ge hem weder tot onsterflijkheid;

Hoe laat gij hem weer opzien tot het licht;

Hoe zaait ge in deze ziel muziek en droom

En maakt de onheugelijke schande goed,

Al 't trouwloos onrecht, al 't onheelbaar leed?

O macht'gen, meesters, heerschers in elk land!

Hoe maakt de toekomst eens deez' reekning op?

Sluiten