Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kwam zij, starend en stom, Zoo hjdzaam, blind en ellendig, Die vreeslijke vraag:

„Waarom -? waarom -?"

En ik ging menigen weg

Van macht en bezit en zoo velerlei schoonheid,

Gestreeld door zoo menige vreugde,

En zoo menig, menig geluk -

En toch nimmer tevreden,

Want zij maakt mij zoo eindeloos moe

En zoo langzaam ellendig,

Die vreeslijke vraag:

„Waartoe -? waartoe -?"

DE BLAREN De blaren vallen

En volgen elkaar, Zoo zinken we allen -

Hier - en daar.

Als blaren varen

De levens voorbij De dag, de jaren,

En wij - ook wij!

Ach, die het sterven

Waarhjk eens zag Hij moet iets derven

Met iederen dag.

Hij voelt de dagen

Als bladers gaan Hun ruisching dragen

Ze uit hem vandaan.

In 't eind - van 't wonder Des levens zat -

Sluiten