Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij haalde al wat zij bezat Sinds zij heur man verloten had,

Die lag verslagen: Het jongske en meiske aan ieder zij Haar derde moest zij zelf in bei

Heur armen dragen.

Zoo togen zij door vreemd gebied Naar 't verre land - ze wisten niet

Waarheen zij vluchtten; Zij waren duizend armen saam, Als duizend dingen zonder naam -

En duizend zuchten.

Een laten dag het jongske kloeg: „Och moeder 'k ben niet groot genoeg Is 't ver dat we'hoeven?" Ze zei: „Ginds bij die ster is 't, och Vat moeders rok, de Duts zegt toch: Ge moogt niet toeven 1"

„Och moeder" zei hij ,,'k kan niet meer, Mijn hert doet mij zoo hevig zeer -

Zal 'k sterven moeten?" Toen gleed hij naar den natten grond En stierf daar als een zieke hond

Aan hare voeten.

Men stak een kleine greppel af, Men lei hem in een haastig graf

Onder wat steenen, Zij hing een kranske aan de heg, Zij zette een kruiske aan den weg -

En moest weer henen.

Haar voeten zogen door het slijk, Al dieper dook heur lichaam lijk Die honderdtallen,

Sluiten