Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer wij onzen mond naar God toekeeren?

Was zij een bleeke scherf - eenmaal geschonden

Bij de' uurslag van den tijd, verzonke' in t puin,

Tot zij in 't nieuwe uur werd weergevonden;

Of shep zij rustig in een rozentuin

Waar kloosterlinge' een ander beeld aanbaden

En 't volk van ver boog bij de Vesperklok;

Of droomde zij hoe ridders haar betraden

Met ijzren voeten uit hun ijzren rok; -

Totdat haar edel lichaam wierd herboren.

Als de aarde weder met een hoogen vloed

Van schoonheid aan den hemel wil behooren,

Begeerig naar het rijk verleden wroet

En zich bij iedren schat dien zij vergaarde

De warme tranen uit haar oogen wiesch -

Tot nogmaals Rome ... Rome evenaarde

En hare bloesems door de wereld blies -?

Sinds zonk zij weer - sinds zonken alle goden

En kwam de leege hemel ruischend neer,

Begeerte en macht - zij bleven de geboden,

Die vóór verzading hongren doen naar meer.

Sinds zwierf zij ver van 's levens drokke wegen

Tot zij in deze heil'ge stilte school -

Voor schaarsche zielen tot een schaarschen zegen,

Van Liefde en Schoonheid het vergaan symbool.

O arme tijd, die, slechts met goud gemeten, Niet meer onmeetbaars laat aan het gemoed, Waar in der haast van iedre bittre bete De roep om de Eeuwigheid besterven moet En die een hongrig hart en vroom geweten Nog maar terzij de Schoonheid vinden doet, O doembaar dorre tijd, die onmeedoogend Den rijken droom voor de arme daad verloochent!

Sluiten