Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zwakste niet de strijdster zelf geweest, Wier teedre schouders bloedend zijn beladen Met al wat door den sterkste werd gevreesd, En heeft niet zij door alle aardsche kwaden Het hemelsche gedragen in haar geest? Zij - zij is 't die het dapperst heeft gestreden Daar zij het zwaarst: het eenzaamst heeft geleden!

Daarom droeg zij in de' oorlog der geslachten Den glimlach van 't geheim voor haar gelaat Als mom voor 't fonklend spel van haar gedachten, En weefde ze om haar lichaam het gewaad, Verbeelding van haar beeld, die immer lokte, In duizend lieve leugens borg - en bood, Die, droomend van de waarheid, eeuwig jokte Tusschen haar oogen en haar zoeten schoot. Doch - voer zij in haar wijde pepion stralend Als eene Nike door de hooge zee Van 't leve', of zat zij stijf van paarlen pralend Te heersche' als een verheerlijkte idee, Of schreed zij in heur kleinen kring van vrouwen, Heur kuische hart in 't middeneeuwsch habijt En - heur geheimen in heur wijde mouwen, Of was zij Greetje's keursje weer eens kwijt, Of het zij 't dalen op heur darde borsten, Waarvoor een dwalend oog alleen maar look Wijl ze 't naar dieper vruchten deden dorsten Tot zij van schrik weer zedig onderdook In strooken, linten, kant en crinoline... Ach: wat bleef haar ten slotte dan de vlucht, Wat werd er uit het kleed van Colombine? Wat restte haar nog dan een diepe zucht! -

Nog niet! - nog ruischt haar kinder-jonge ader Naar 't jonge leven, dat haar ruischend beidt, Dat nog zijn rozen en muziek te gader Om heure slapen en heur leden leit: -

Sluiten